zondag 27 januari 2013

Het leven van een leerling op de Deutsche volkschule in Den Haag in de oorlog-deel 2

Echt
In 1943 – toen er bombardementen dreigden -ging Johan Mennen met school naar het Kinderverschickungslager in Echt (zie: http://obshistorie.blogspot.nl/2009/09/bezoek-aan-klooster-in-echt.html). Er waren ook kinderen van de Hauptschule uit Rotterdam in Echt. Deze kinderen waren ouder. De jongensafdeling van de Deutsche Volksschule  zat rechts op het terrein, de meisjesafdeling zat waar nu een instelling voor geestelijk gehandicapten zit. De docenten aten in dezelfde ruimte als de leerlingen. De leerlingen stopten ook wel eens insecten in hun toetje om zo meer toetjes te krijgen. Zou ook nog toevoegen dat ze dat deden omdat “die verwende jongetjes” dan hun toetje niet meer lustten als er insecten inzaten De heer Mennen was bevriend met de kok in de keuken. Hij hielp daar ook af en toe en kreeg daar dan ook wat voor terug.

Terrein in Echt waar de Deutsche Volkschule in 1943 was gevestigd.

De heer Mennen was in Echt Stubenälteste (leider van de kamer). De zoon van Fritz Schmidt zat bij hem in zijn klas en was zijn slapie. Schmidt was een hoge officier  – die voor Seyss-Inquart werkte - en de heer Mennen kwam ook bij hen thuis in hun woning in Benoordenhout. Schmidt is volgens de heer Mennen in de oorlog geliquideerd in verband met de aanslag op Hitler. Het was geen treinongeluk.

Er kwam op een gegeven moment een jongen op hun slaapzaal die hij niet mocht. Die hebben ze toen weggepest. Onder meer door in de nacht zijn vingers in een bak met water te stoppen waardoor hij in bed plaste. Hij heeft ook gevochten met een man die een leidinggevende functie had. Die man van ong. 20 jaar was Lager Manschaft Führer. Hij heeft met hem gebokst. Hij had dat nog nooit gedaan maar heeft die andere man flink pijn gedaan. Maar aan het eind van dat gevecht heeft hij zelf een paar flinke klappen gekregen. De vrienden van die man hadden lol hiervan.

Hij kreeg ook wel straf. Dan moest hij zich bijvoorbeeld een heleboel keren opdrukken. Het hielp echter allemaal niet om hem in het gareel te krijgen. Hij was een lastige jongen die moeite had met luisteren. Daarom is hij later waarschijnlijk ook naar de Sportlage in Beieren gestuurd. Hij vond het in Beieren echter alleen maar leuk want hij kon daar veel sporten en was er veel buiten.

Hij had geen heimwee in Echt. Hij was het gewend om voor zichzelf te zorgen.

Na Echt en voor Dolle Dinsdag
Na terugkomst uit Echt, ging hij weer naar school aan de Waalsdorperweg. Ze gingen dan met bussen het spergebied in. Samen met vrienden stal hij in die tijd spullen uit een vrachtwagen en na de oorlog verhandelde hij onder meer een wapen. Hij wist precies hoe je stiekem in en uit het spergebied kon komen.

Als zijn Jungvolkuniform op een gegeven moment is versleten gaat hij voor een nieuw uniform naar Plein 1813. Hij vertelde daar dat zijn ‘uniform’ versleten was. Een Bahnführer zei hier iets van. In het gesprek dat daarop volgde heeft hij tegen de Bahnführer gezegd dat kinderen van landverraders voorgetrokken werden. Ze hebben toen zijn insignes van zijn uniform afgetrokken en een paar jongens (van de harde lijn) hebben hem toen stevig te pakken genomen. Er waren overigens ook jongens die niets deden.

Nadat Clingendael onder vuur werd genomen, ging  de school naar het Kinderverschickungslager in Eijsden. Hier verbleef de school tot Dolle dinsdag. De school vertrok toen uit Eijsden en ging naar Slowakije. De heer Mennen heeft er in 1944 vanaf Beieren drie weken over gedaan om weer terug in Den Haag te komen.

Na de Deutsche Volksschule
In 1944 –na zijn terugkeer uit Echt- is hij naar een school aan de Prinsengracht gegaan. Het viel niet mee om te worden omgeschoold naar het Nederlandse systeem. Dat was erg wennen.

Aangezien zijn stiefvader tijdens de oorlog nauwelijks thuis was, moest hij voor zijn moeder en zusjes zorgen. Dat ging niet altijd netjes. Hij is ook twee keer in zijn eentje te voet naar Lemelerveld gegaan om eten te halen. Dan torste hij 40 kilo aan eten weer mee terug. De eerste keer was in januari en ging hij liftend. De tweede keer in februari.

Tegen het einde van de oorlog zijn er onder de Duitsers en foute Nederlanders in Den Haag een aantal paniekzaaiers, er ontstaat chaos. Mensen gaan op Dolle Dinsdag massaal naar het staatsspoor om te vertrekken naar Duitsland.

Station Staatsspoor, Rijnstraat. Bron: Haagse beeldbank

Zijn moeder wilde eerst ook vertrekken, maar hij raadt het haar af. Hij had in Duitsland gezien dat er veel kapot was. De spullen die zijn moeder naar de buren had gebracht, haalt hij weer terug.  Zijn konijnen waren toen echter al in de pan gehakt. Hij kon ze alleen nog opeten.


Na de oorlog
Toen de oorlog was afgelopen deed de ondergrondse tot drie keer toe een inval in zijn ouderlijk huis. Ze zochten zijn stiefvader, maar die was er niet. Ze hebben toen van alles in beslag genomen. Daarom heeft hij ook geen spullen uit die tijd meer. Buren namen het voor hen op. Ze zorgden er voor dat er alleen propagandamateriaal werd meegenomen en geen andere zaken zoals eten. Die lui waren niet allemaal van de echte ondergrondse. Er zaten ook veel profiteurs bij die zich pas na de oorlog hadden aangesloten. In de oorlog had zijn moeder een keer op Hitlers verjaardag de Duitse vlag uitgehangen. Toen heeft hij er snel voor gezorgd dat zij die weer binnenhaalde aangezien dat dat het niet goed deed in de buurt. Hij had vrienden in de buurt met wie hij streken uithaalde. Zijn stiefvader –waar hij geen goed contact mee had- kwam na de oorlog in kamp Harskamp terecht.
Op de school aan de Prinsengracht heeft hij een keer gevochten met schoolgenoten omdat ze wisten dat hij bij Jungvolk had gezeten. De bovenmeester heeft ze toen uit elkaar gehaald. De jongens werden toegesproken en daarna is er nooit meer iets gebeurd. Bovenmeester Koekoek (echte christen), meester De Boer en meester van den Ende waren fijne meesters. Hij heeft tot de 8e klas op deze school gezeten. Deze school heeft hij echter niet afgemaakt. Hij is vervolgens naar de vakschool gegaan.
In 1947 moest hij naar Beheersinstituut om een ontvijandingsbewijs te halen, anders kon hij niet werken. Dat bewijs kostte 50 gulden. In het gezin waren na de oorlog drie nationaliteiten. Hijzelf was Duits, zijn zusjes Nederlands en zijn ouders stateloos.
Het Nederlandse beheersinstituut aan de Neuhuyskade 94. Bron: Haagse beeldbank


Als hij een jaar of veertien is ontmoet hij zijn vrouw. Haar vader is communist. Die vond het eerst niet leuk dat zij ‘een mof’  aan de haak geslagen had. Ze hebben samen vijf kinderen gekregen. In 1967 verhuisden ze naar Heerhugowaard waar hij bij Hoogovens ging werken. Zijn salaris was wel lager dan in Den Haag, maar hij kon wel huis met tuin huren. De heer Mennen kreeg in 2000 de Nederlandse nationaliteit.

Nu
De heer Mennen is nu 80 jaar en zwemt 4 ã 5 keer per week. Zijn vrouw –die hij 65 jaar heeft gekend- is onlangs overleden. De heer Mennen geeft aan dat hij zich in zijn jeugd altijd heeft moeten aanpassen (Nederlands, Duits, volksbuurt, hoge officieren etc.). Hi j is hierdoor ook  een einzelgänger geworden. Hij heeft ook goed voor zichzelf leren opkomen. Hij is blij dat hij niet iets ouder was in de oorlog. Anders was hij er nu niet meer geweest. Vanaf je zestiende ging je als kanonnenvlees naar het front.



vrijdag 18 januari 2013

Artikel over de heer Mennen in De Limburger

Niet alleen wij spraken met de heer Mennen over zijn herinneringen maar ook een journalist van het dagblad De Limburger. Op 23 november 2012 verscheen een groot artikel over Johan Mennen in de krant. De kop luidt:  'We werden opgeleid tot kanonnenvoer '.  Voor mensen die geinteresseerd zijn: Artikel over Johan Mennen

donderdag 6 december 2012


Het leven van een leerling op de Deutsche volkschule in Den Haag in de oorlog-deel 1
Johan Mennen heeft in de oorlog op de Deutsche Volksschule in Den Haag gezeten. Marit en Nicolien praten bij hem thuis in Heerhugowaard over zijn turbulente jeugd. Zelf kijkt hij positief op deze jaren terug. Hij heeft in ieder geval iets van de wereld gezien.

Periode voor de Deutsche Volksschule
De heer Mennen werd in 1931 geboren in Amsterdam. Zijn moeder was Duitse van origine en zijn biologische vader heeft hij nooit gekend. Toen hij nog een baby was raakte zijn moeder verlamd en werd ze in een verpleegtehuis opgenomen. Omdat er niemand was om voor hem te zorgen, ging hij naar een particulier kindertehuis in Amsterdam. Toen zijn moeder grotendeels was hersteld, trouwde zij met de Nederlander de heer Klein. Ze kregen samen twee dochters. In 1937 -als hij 5-6 jaar is- verhuizen ze naar  een volksbuurt in Den Haag. Hij ging naar een Joodse Fröbelschool. Hij laat ons een foto van de klas zien en  zegt dat veel van deze kinderen de oorlog niet hebben overleefd.
 
Van juni tot september 1940 ging hij als 8-jarige naar Oostenrijk. De heer Mennen vertelt dat de reis werd georganiseerd voor kinderen uit de volkswijken. Tussen de twee oorlogen in waren Oostenrijkse kinderen in Nederland geweest om aan te sterken, en dit was een soort tegenprestatie van Oostenrijk. De rijkscommissaris Seyss-Inquart en de regeringscommissaris voor de arbeid De Quay waren op het station om hen uit te zwaaien. Toen hij terug kwam in Nederland kon hij vloeiend Duits spreken. Hij is in de oorlogsjaren elke zomer naar een pleegouder geweest in het buitenland. Deze reizen hadden volgens de Heer Mennen niets met school te maken.

Deutsche Volksschule
In september 1941 ging hij voor het eerst naar de Deutsche Volksschule. De Deutsche Volksschule was op dat moment gevestigd aan de Waalsdorperweg in Benoordenhout (voorheen zat deze school in de Dreibholtzstraat. In deze staat werd in 1941 de Deutsche Hauptschule gevestigd). Er reed een schoolbus door heel Den Haag om kinderen op te halen. Startpunt van de bus was de Van Limburg Stirumstraat. De school begon om 8.00 uur, dus de bus vertrok vroeg. Als de bus te vroeg op school kwam, was dat vooral in de winter heel vervelend. Dan moest je buiten koukleumen, want er was geen sprake van dat je eerder naar binnen mocht. Ze kregen ook kunstgeschiedenis en houtbewerking op school. School duurde tot 13.00 uur. Daarna gingen ze naar Plein 1813, waar ze met het Jungvolk activiteiten deden, als sporten, schieten en ze werden “gedrild’. Hij had ook zo’n pakje aan. Hij was in zijn jeugd volgens eigen zeggen geen makkelijke jongen. Hij heeft veel gevochten. Hij was gehard. Zowel in Duitsland (Scheisshollander, kaaskop) als in Nederland (verkeerde partij) was hij niet erg geliefd. De naam Scheisshollander kreeg hij in Ludwigshafen, daar had hij vaak moeilijkheden als hij ‘Oksenscheisse’  ophaalde in de stad. Dat leidde altijd tot gedoe, de andere (Duitse) kinderen hadden het gevoel dat hun zakgeld werd afgenomen, maar voor hem was het ook zakgeld.

Er zaten vooral Duitse kinderen op de school. Waarschijnlijk ook een paar Nederlanders, maar niet veel. Joodse kinderen zaten er niet op. Er zaten zowel jongens als meisjes in de klas. Op de Deutsche Volksschule zaten naast kinderen zoals de heer Mennen ook veel kinderen van hoge (onder)officieren, die woonden allemaal in het latere Spergebied. Er kwamen zo nu en dan hoge officieren op bezoek op school.

Obrechtstraat, houten hek bij het begin van het spergebied, circa 1943. Bron: Haagse beeldbank









De directeur van de Deutsche Volksschule – de heer  Saathoff -  had 3 stokken op zijn kamer. Als je stokslagen kreeg mocht je kiezen welke stok. Je moest dan voorover gebogen staan.  Veel kinderen kozen het Spaanse rietje, maar de heer Mennen niet want zo’n rietje doet gemeen pijn. De leerlingen deden van te voren altijd schriften in hun broek (dat wist de directeur ook wel). De meeste leraren op de school waren Duits .  Hij heeft les gehad van   Frau Stumpke  en Frau Hayderen. De eerste vond hij niet sympathiek, Frau Hayderen vond hij echter een lieve vrouw. Hij heeft ook wel eens les gehad van de Nederlandse docent de heer Homan (link naar weblogartikel over Homan).

Hij kan zich ook nog een paar oud-leerlingen herinneren zoals Karl Smit,Suzie Bitter en Paul Peter Kaetzke.

Geloof
De heer Mennen ging vroeger zowel naar de katholische Kirche als naar de Deutsche Evangelische Gemeinde aan het Bleyenburg. Hij kan zich pfarrer Kaetzke van de Deutsche evangelische Gemeinde nog goed herinneren.  Hij vond het een heel fijne man, een echte christen in de goede zin van het woord. Hij gaf evangelie op de Volksschule. Het was een moderne dominee. De moeder van de heer Mennen zong in het koor van de kerk. Ze had een mooie stem. Toen ze het heel arm hadden (na de oorlog waren ze  de armste van de kerkgemeente), werden ze ook rond kerstmis en met Erntedankfest  geholpen door pfarrer Kaetzke. Kaetzke was er voor hoog en laag.










Pfarrer Kaetzke ontvangt het Kruis van Verdienste van de Duitse Bondsrepubliek ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum. Bron: Haagse beeldbank.

De heer Mennen was bevriend met  1 van zijn zonen. Toen hij later op de vakschool zat, kwam hij de zoon van pfarrer Kaetzke weer tegen.  Ook herinnert hij zich de heer Muller. Hij was zowel dominee als duikbootcommandant.

donderdag 14 juni 2012

Hendrik Homan en de Bylandtschule

Hendrik Abel Homan werd geboren op 8 maart 1884 in Ten Boer. Zijn vader, Abel Hendrikus Homan (1849-1936), was in deze plaats het eerste hoofd van de lagere school met de bijbel. Hendrik was zijn oudste zoon. Hij trouwde in 1909 in Uithuizermeeden met Klazina van Der Molen .
Hendrik vertrok samen met zijn vrouw naar Den Haag. Klazina en Hendrik kregen twee kinderen, een dochter Tine en een zoon. Hij begon op 1 april 1923 met lesgeven aan de Deutsche Schule (Bylandtschule) in Den Haag. Op de Bylandtschule zaten Duitse en Nederlandse leerlingen. Het hoofd van de school was toen Wilhelm Heggen. De school was ontstaan uit de Deutsche evangelische Gemeinde maar was gericht op het Nederlandse onderwijssysteem. (meer hierover klik hier)
Foto uit 1924 met aan de rechterkant de heer Homan
De school was eerst gevestigd op het Bleijenburgh. Deze locatie werd echter te klein en op 24 april 1925 werd de school aan de Dreibholtzstraat feestelijk geopend. Het duurde nog lang voordat hij vaste dienst kwam. Op 31 januari 1934 –nadat hij al bijna 11 jaar werkte op de school- kwam hij met terugwerkende kracht per 1 januari 1931 in vaste dienst.

Voordat hij op de Friedrich Bylandtschule gingen werken, had hij bij een andere school gewerkt. Hij werd daar elke zomer ontslagen, ging in de ww en werd dan in september weer aangenomen. Hij vond dit onrechtvaardig, maar het bestuur zei dat er geen geld was. Totdat er een groot feest gegeven werd en er naar zijn smaak overdadig gegeten en gedronken werd met dikke sigaren toe. Hij vroeg het woord en stelde die overdaad tegenover zijn ww. Na dit incident werd hij daar ontslagen.


Foto genomen in de Dreibholtzstraat. Rechts staat de heer Homan. Links zittend het hoofd van de school de heer Heggen
Zijn kleinzoon Rik Homan vertelt over zijn grootvader aan dat hij christelijk, calvinist en streng was. Hij leefde eenvoudig en had een hekel aan overdaad. Maar hij was toch ook wel werelds. De heer Homan hield gedurende zijn leven dagboeken bij. Hieruit blijkt dat hij veel las, erg van de natuur hield en het belangrijk vond dat zaken efficiënt werden georganiseerd.
De heer Homan is twintig jaar – van 1920 tot en met 1940 - lid geweest van het hoofdbestuur van de Unie van Christelijke onderwijzers. Op de jaarvergadering die in december 1940 In Utrecht werd gehouden, werd hartelijk afscheid genomen van de heer Homan een een boekgeschenk vertolkte de dankbaarheid van de unie jegens de heer Homan voor alles wat hij voor de unie  had gedaan.
Onzekerheid over voortbestaan Bylandtschule
Een incident in het voorjaar van 1939 – de school hing de Duitse vlag uit na inlijving van Tsjechoslowakije - heeft tot gevolg dat de Nederlandse overheid de school niet langer financieel meer wil ondersteunen. Het bestuur wil vervolgens de school opheffen. Een Hollandse vereniging wil er echter voor zorgen dat de Friedrich Bylandtschule kan blijven bestaan voor Hollandse kinderen. Ook de zoon van Bylandt wil graag dat de school blijft bestaan.
Een tijdlang is het voor de heer Homan en zijn collega’s onduidelijk wat er gaat gebeuren met de school. Zou het plan om de school een nieuwe start te laten maken door de Vereniging slagen – de heer Homan hoopt hier op - en zo niet wat zou er dan met de leerkrachten gebeuren van de Bylandtschule? De school verliest echter veel leerlingen aan de andere scholen die onder het Duitse Scholenvereniging vallen. Eind april 1940 worden nog veel leerlingen en ouders bewerkt om een overstap te maken naar een andere school van de Duitse Scholenvereniging. Dhr. Homan windt zich hier erg over op.
Start Tweede Wereldoorlog
En dan valt op 10 mei 1940 Duitsland Nederland aan. Op 13 mei gaat dhr. Homan naar school om portretten enz. op te bergen. Op 16 mei is de gymzaal bezet door de Duitsers.

Foto van de gymzaal in de Dreibholtzstraat
Op 30 mei is het gymlokaal weer vrij van militairen. Op de school zitten dan nog maar 52 leerlingen en een week later nog maar 42. Homan geeft les aan 20 leerlingen van klas 7, 8, 9 en 10. Dat het slecht gaat met de school blijkt ook uit de jaarrekening van 1940. In 1940 is er 14.263 gulden in de school geïnvesteerd tegen 20.851 gulden het jaar daarvoor. Op 25 mei 1940 vindt er een vergadering van de Duitse Scholenverenging plaats. Besloten wordt dat de Bylandtschule in ieder geval tot 1 juli 1940 onder het beheer van de Duitse Scholenvereniging blijft en dat de heer Homan voorlopig hoofd wordt.
Onduidelijk is hoe het – gegeven de nieuwe situatie - verder zal gaan met de school en de docenten. Op 3 september 1940 krijgt de heer Homan te horen dat hij niet zal worden ontslagen en er qua salaris niet op achteruit zal gaan. De school wordt verbouwd, beneden blijven er vier lokalen en boven komen er drie grote. Het is een chaos maar Homan voelt zich niet direct verantwoordelijk. Hij is geen hoofd (meer), hij hoeft alleen Hollandse formaliteiten te vervullen. Op 15 oktober wordt de Deutsche Volkschule weer geopend op de Dreibholztstraat 2-4. Er vindt een feestelijke opening plaats. Het bestuur besluit tijdens een vergadering in december 1940 om het gebouw aan de Dreibholtzstraat van de gemeente te kopen. De school valt dan niet meer onder het Duitse Ministerie van Buitenlandse Zaken maar onder het Reichscommissariaat.
Dhr. Homan twijfelt wat hij het beste kan doen op het moment dat de Bylandtschule in 1940 wordt omgezet in een Deutsche Volksschule. Hij zoekt contact met het toenmalige hoofd van de Afdeling lager onderwijs van het departement van onderwijs, kunst en wetenschappen. Het toenmalige hoofd  zou hebben aangegeven dat hij kon aanblijven zolang er niets gebeurde wat hij niet met zijn geweten kon rijmen. Als hij ontslag zou nemen zou hij zijn salaris en wachtgeld verliezen. Hij besluit vervolgens op de school te blijven werken.
De Deutsche Volksschule
De Deutsche Volksschule verhuist in september 1941 van de Dreibholtzstraat naar de Waalsdorperweg 12 - het voormalige gebouw van de vrije school. In de Dreibholtzstraat komt dan een Deutsche Hauptschule. Een Duitser - de heer Saathoff - werd het hoofd van de Deutsche Volksschule en de heer Scheffer van de Deutsche Hauptschule. In de Jan van Nassaustraat zat nog de Oberschule die werd geleid door de nazi Dr. Honsberg.

De Deutsche Volksschule gevestigd aan de Waalsdorperweg.

In het najaar van 1941 gaan de leerlingen uit de hoogste klassen samen met een aantal docenten voor een paar weken naar een Kinderverschickungslager (KLV) in Augsburg. De heer Homan gaat niet mee. Op 20 december 1941 gaat de Hitlerjugend en de Jungmädel collecteren voor Winterhilfe. De meeste kinderen van de school doen hieraan mee. Dat de heer Homan niet veel op heeft met de opvoedersgilde van de NSB, blijkt als Saathoff met hem praat over het politiek systeem van Genechten, een kundig man volgens Saathoff. Homan geeft aan dat hij deze lui niet moet. Saathoff geeft aan dat als men nu niet meedoet later aan de kant staat.
Op 1 mei 1942 noteert Homan in zijn dagboek dat Joden met een ster moeten lopen. Eind 1942 heeft hij het steeds vaker over de dreigende evacuatie van Benoordenhout. Begin 1943 verhuist hij met zijn vrouw naar een nieuwe woning. Samen met de leerlingen gaat hij in 1943 naar het KLV in Echt (meer hierover klik hier). Na terugkomst in Den Haag in oktober 1943 neemt de school afscheid van de heer Saathoff die in militaire dienst moet. De Heer Homan betreurt zijn vertrek, want je weet wat je hebt en niet wat je er voor terugkrijgt. Daarna heeft de Fries meneer Hermel de dagelijkse leiding over de school. Een periode is onduidelijk waar de school daarna heen zal gaan. Het wordt uiteindelijk een klooster in Baexem. Op de oudervergadering in de sociëteit de Vereniging in de Kazernestraat belooft de heer Hermel de ouders veel, waaronder geen militair gedril. Veel ouders zijn tegen het vertrek naar Baexem. Het schorem is echter voor volgens Homan en dankbaar voor veiligheid, kleding en schoeisel. Op 9 maart 1944 vertrekt Homan samen met leerlingen met de trein naar het klooster Exaten in Baexem. In het klooster zijn ook enkele paters. De school krijgt de twee bovenste etages van de Arbeidsdienst. Veel kinderen zijn ziek en enkele ontevreden ouders komen hun kinderen halen. In april constateert Homan dat het eten beter wordt maar dat het niet aan de eisen van een KLV lager voldoet.
In mei 1944 gaat hij enkele dagen naar Den Haag. Na zijn terugkomst gaan de jongens van de school in uniform naar een bijeenkomst waar onder meer Seyss-inquart spreekt. In het klooster zit ook een Duitse school uit Leiden. De samenwerking met deze school verloopt niet soepel. Op 1 juli 1944 noteert Homan in zijn dagboek ‘de Lehrstand heeft het weer eens afgelegd tegen de Wehrstand’. Hij wilde per 1 augustus 1944 ontslag nemen. Dit werd echter geweigerd.
Einde van de Duitse school
In september 1944 komt er dan toch een einde aan zijn ruim 21-jarige verbondenheid aan de school. Op 4 september 1944 vlucht de school naar Duitsland vanwege de geallieerden die steeds meer terrein wonnen. De heer Homan gaat niet mee en kan niet wegkomen naar zijn familie in Den Haag. Hij blijft achter met een paar broeders in het klooster. Het klooster wordt geplunderd door Duitse soldaten. Sommige soldaten zijn vriendelijk en zoeken dingen voor hun kinderen; andere niet.
In november 1944 – Zuid-Nederland was inmiddels bevrijd- wordt hij verhoord door een jonge man die op het Gymnasium in de Jan van Nassausstraat heeft gezeten. De heer Homan ervaart het verhoor als zeer onaangenaam. Vervolgens gaat hij naar een klooster in Weert waar hij van 28 december 1944 tot en met 6 augustus 1945 verbleef. Hij is daar beperkt in zijn bewegingsvrijheid en piekert maar geeft aan niets te klagen te hebben.
Na de bevrijding
In juni 1945 -na de bevrijding van Nederland- stuurt de secretaris der Unie van christelijke onderwijzers een brief waarin hij aangeeft dat de Heer Homan in het begin van de oorlog geprobeerd heeft ontslag te nemen. Als de heer Homan weer terug is in Den Haag in augustus 1945 ontvangt hij nog diverse vriendelijke brieven van de broeders uit Limburg. Hij ontvangt ook een brief uit Duitsland van een oud-collega. Hieruit blijkt dat het voormalig hoofd van de school – de heer Saathoff - tot begin 1948 gevangen heeft gezeten in Frankrijk.
Na de oorlog werd de heer Homan er door enkele mensen op aan gekeken dat hij in de oorlog op een Duitse school had gewerkt.  Hij overlijdt in 1966.

donderdag 15 december 2011

Deel 3 Herinneringen Tom Kruys aan prof. Casimirschool

De lokalen

Vijfde klas [zie voor namen het einde van het artikel]

De klaslokalen waren gemeubileerd met de eerder genoemde klapbankjes voor 2 personen, opgesteld in drie rijen met soms nog een rijtje éénpersoons bankjes. (Zie foto 5de klas). Tussen
het bord en die banken stond een bureautje voor de onderwijzer(es) met stoel, dan was er een hoge lessenaar met hoge stoel. Dat was een soort scheidsrechterstoel zoals bij tennis, met een biezen zitting. De onderwijzer zat daar meestal op tijdens het voorlezen en om een goed overzicht te hebben wanneer wij sommen moesten maken of repetities. De ramen die op ooghoogte zaten konden open maar waren dat nimmer, de hoge klapramen echter wel. Aan het plafond hingen lampen van wit melkglas, merk Gispen. Nu zijn die dingen een fortuin waard. Er hingen in de lokalen hier en daar non-descripte “schilderijtjes” aan de muur, en uiteraard de bekende Jetses schoolplaten. Die werden geregeld ververst, de voor een les laatst gebruikte bleef meestal een tijdje hangen. Dan kon je nog wat nagenieten.

Iedere dag was er schoolmelk. Die werd aangevoerd in metalen kratten, voor elke klas één, en Rikkers bracht die ’s morgens in de lokalen. Dan mocht een van de leerlingen met een metalen priem gaatjes in de aluminium capsules prikken en daar rietjes in steken. Vervolgens namen de leerlingen die ervoor betaald hadden zo’n klein flesje melk mee naar hun bank en zogen de lauwe melk op. Sommige kinderen hoefden dat niet, ik was jaloers op hen. Misschien waren hun ouders te arm, of vonden het overdreven. Mijn ouders meenden dat het wel goed voor mij was en wilden mij geen buitenbeentje laten zijn. Wij moesten iedere week melkgeld meebrengen, dat werd door de leerkracht geadministreerd en als je het geld vergeten had kreeg je geweldig op je kop.

Uit wandelen

Vanuit school werd er ook nogal wat georganiseerd waarvoor wij de school moesten verlaten. Zo werd er bijvoorbeeld gezwommen. Wij liepen dan naar de Mauritskade om daar in het gemeentezwembad les te krijgen. http://historie.residentie.net/zwmt.htm
Ook gingen we ieder jaar naar de schooltandarts. Dat was helemaal een eind lopen, ergens in de buurt van het Staatsspoor in een achterafstraatje zat de schooltandarts in een deprimerend gebouw. De tandarts controleerde onze gebitten eerst in de klas, met een assistente kwam hij langs en wij moesten naar voren komen voor inspectie. Als we allemaal bekeken waren (zonder
behoorlijk licht) hield hij steeds hetzelfde praatje. Dat luidde: “Na het broodeten goed poetsen”. Meer zei hij niet. Als je de klos was en een gaatje had, moest je dus in een groepje onder leiding van de juf naar de binnenstad. Nu ik zelf tandarts ben, en de kwaliteit van het werk destijds moet beoordelen, dan griezel ik van deze wijze van tandheelkunde beoefenen. Maar goed, het
kostte niets en het waren de jaren vijftig. Ook kwam er af en toe een schoolarts. Die deed niet veel meer dan oogonderzoek. Hij hield dan vooraan de klas een rond schijfje met een vinger erop getekend omhoog, en wij moesten dan om de beurt achter in de klas staand met onze vinger in dezelfde richting wijzen. Had je het fout dan kreeg je een bril voorgeschreven. Ik kreeg dus een
bril en werd meteen vooraan in de klas gezet. Dat had later zo zijn voordelen zoals u nu weet. Wij konden ons ook opgeven voor een volkstuintje. Ik vond dat onzin, want wij hadden zelf een tuin, maar mijn ouders vonden het voor mijn opvoeding wel goed dat ik op woensdagmiddagen naar zo’n tuintje ging. Nou dat was helemaal ergens aan het eind van de wereld, halverwege Monster, dus na twee keer bedankte ik voor de eer, en mijn volkstuintje verkommerde verder. Meneer
Weeber nam mij dat niet in dank af. Als compensatie mochten de kinderen zonder tuintje in de klas een spons met sterrenkerszaad op een schoteltje neerzetten. Na verloop van tijd stond er dan in de vensterbank een hele rij groene schoteltjes die je mee naar huis mocht nemen als de tijd en de sterrenkers rijp was. In de derde klas hadden wij trouwens ook een aquarium. Wie dat ding bekostigde weet ik niet, maar er zwommen goudvissen in en een meerval. Het mogen strooien van het visvoer was ook weer een privilege. Ik heb dat nooit gedaan. Ik had een hekel aan vissen.
Onder de rubriek “uit wandelen” valt ook het jaarlijkse schoolreisje. Dat was het hoogtepunt van het schooljaar. Meestal gingen wij met een bus naar een of andere verafgelegen speeltuin. Drievliet of zoiets, en heel bijzonder was een vaartochtje op de Maas in Rotterdam met de
Spido. Maar ook herinner ik mij dat wij eens naar Madurodam gingen met de klas. Ach, heel bijzonder waren die reisje over het algemeen niet als je het nu bekijkt. Maar in die tijd was het toch een feest.

Ook onder “uit wandelen” behoort de vermelding van de verjaarsviering der leerlingen. Als er een leerling jarig was, mocht deze natuurlijk trakteren. Daartoe werd meestal een trommeltje snoep van thuis meegebracht, vooral toffees waren populair. Tegenwoordig komen kinderen met complete maaltijden op school aanzetten, maar in die tijd was een snoepje al een hele traktatie. Bovendien had niemand geld voor dure gevulde koeken of spritsen. Men ging dus rond in de klas met de trommel, nadat de jarige vrolijk was toegezongen. Daarna mocht het feestvarken met enkele uitverkoren vriendjes of vriendinnetjes een ronde door de school maken. Dan werden de overige leerkrachten gefêteerd. Men klopte eerbiedig aan bij elke klas om zich te laten feliciteren door de desbetreffende juf of meneer. Met het complete gevolg ging men zo de hele school door, bleef extra lang kleven bij meneer Rikkers om zo laat mogelijk weer in de klas terug te zijn.
Dit was het laatste artikel over de herinneringen van Tom Kruys. Wij danken hem hartelijk voor zijn bijdrage aan ons blog over de historie van de OBS Benoordenhout.

Hieronder de namen van de leerlingen op de foto bovenin het artikel, voor zover bekend.

Klassenfoto 2 (in de 5de klas van Jufforuw Gisolf, 1959)

1. Kees Feith
2. Richard
3. Arend
4. Kunetje Biezeveld
5.
6. Robbie van Beets
7. Wieke Hoekstra
8. Claudy van der Sluijs
9. Frans Ledeboer
10.Ellen Knuttel
11.Paul Kwint
12.Joop van Gaans
13.Robbie Keessen
14.Theo Trumpie?
15.
16.Jan-Evert van der Kaaij
17.Melchior Poldermans?
18.Willy Overdiep
19.Lieske Polak
20.
21.
22.Jacqueline Kupferschmidt
23.Robbie Nagtzaam
24.Odille van ’t Hof of
Mieke Morie
25.Tonny Kruijt
26.Tom Kruys
27.Marian Penning
28.Ellen
29.Joke Verruijt
30.Peter van der Toom
31.Anja Drenth
32.Kees de Jong
33.Betty Wolff
34.Jetty Wolff
35.Freddy Hofman
36.Dorien Stakenburg
37.Anneke Monna

vrijdag 16 september 2011

Uri Rosenthal terug op zijn basisschool

Uri Rosenthal – de huidige minister van Buitenlandse Zaken- begon zijn schoolcarrière op de Nutsschool in Bezuidenhout. In 1952 verhuisde hij met zijn familie van Bezuidenhout naar de Roelofstraat in Benoordenhout. Samen met zijn zus ging hij toen naar de Professor Casimirschool waar hij in de tweede klas begon.

De heer Rosenthal herinnert zich van vroeger het schoolplein en de kerk die er naar zijn gevoel wat dreigend bij stond. Vanuit het klaslokaal beneden keek hij vroeger uit op de bijna angstaanjagende grote muur van het Maerlant Lyceum. Naar zijn gevoel ging hij niet met tegenzin naar school. De school was niet erg streng. Tussen de middag en na school ging hij naar huis of met vriendjes spelen.

Hij kan zich nog de juffrouwen Clignett en Gisolf herinneren. Ook Alfred Weeber en het hoofd der school -de heer Koelma- herinnert hij zich nog. Die laatste heeft indruk op hem gemaakt. Hij straalde gezag uit. Namen van oudleerlingen die hem bij staan zijn: Wim Bos die in het centrum van Den Haag woonde, ‘Jan Ecker’ die in het huis op de hertenkamp woonde en ‘Coen Dekker’ die op de Hoefkade woonde en Arno Brandt Corstius die bij hem in de klas zat. Met meisjes hield hij zich in die tijd nog niet erg bezig en aan hen heeft hij dus ook weinig herinneringen.

In 1957 deed hij toelatingsexamen voor het Maerlant Lyceum. Hetgeen hij redelijk tot goed maakte. Op de afscheidsavond in de 6de klas was hij ceremoniemeester van de revue. Hij had een zwart pak aan. Op het Maerlant Lyceum zei hij in het begin een keer ’juf’ tegen de lerares Frans. Zei zij toen “ hier zeggen wij geen juf”.



Minister Rosenthal vertelt over zijn werk aan leerlingen van groep 8. Met dank aan http://www.rijksoverheid.nl/

In juni 2011 kwam de heer Rosenthal in het kader van de actie ‘BZ voor de klas’ voor het eerst weer terug op zijn oude lagere school. Aan groep 8 vertelde hij over zijn werk als minister en besprak hij onderwerpen als de rechtsstaat en mensenrechten. In zijn herinnering was de school veel groter dan die feitelijk is. Hetzelfde geldt voor de buurt Benoordenhout. De straten waren vroeger veel indrukwekkender toen er nog niet zoveel auto’s stonden geparkeerd, aldus de minister.


RTL Boulevard was er ook bij in het kleine lokaal van groep 8. Met dank aan: Marijke Enninga

donderdag 23 juni 2011

Deel 2 van de herinneringen van Tom Kruys aan prof. Casimirschool.

Hoofd der school
Meneer Koelma was iemand waar niet mee te spotten viel. Hij had een enorme autoriteit. Als hoofd der school in die tijd ook een voorwaarde. Zo stond hij regelmatig bij het uitgaan der school buiten het hek op de stoep en keek iedere leerling die hem passeerde aan. Hij gaf je het idee dat hij iedereen kende en alles overzag. Langs de stoeprand stond zijn Fiat Topolino. Hij paste daar nauwelijks in, maar toch verhoogde die auto zijn status enorm. Hij was op onze school de enige met een auto. Maar je zag hem er nooit in zitten. Want als je ’s morgens bij de school aankwam (aanvang les: 8.30 uur) dan was meneer Koelma al lang in zijn kamer aan het werk. En hij ging ook als laatste weer naar huis. Overigens waren de schooltijden van half negen tot twaalf, en van half twee tot half vier. Woensdagmiddag vrij natuurlijk. Die kamer van meneer Koelma was links in de hal bij de ingang. Eerst was er het piepkleine hokje links van de conciërge Rikkers, daarnaast het “kantoor” van het hoofd der school. De kamer was ingericht met dat typische overheidsmeubilair uit de jaren vijftig: eikenkleurig houten bureau, onprettige stoelen met harde zittingen, sober. Achter dat kantoortje was nog een bijkamertje, het archief cq magazijn. Daar lagen de nieuwe schriften en dat soort dingen. Ik heb eens in opdracht van meneer Koelma samen met een klasgenootje dat magazijntje mogen opruimen. Terwijl wij daar bezig waren, gewoon tijdens het speelkwartier, vonden wij een doos met suikerbeesten. Over van Sinterklaas. Dat was de reden dat wij dagen en dagen achtereen in dat magazijntje aan het werk waren, want er was niets zo spannend om dagelijks zo’n suikerbeest tot ons te nemen. Het hoorde duidelijk bij de status die je als zesdeklasser had: je mocht van alles voor meneer Koelma doen. Ik had het geluk dat ik helemaal rechts vooraan in de klas zat, naast de deur. Dat hield in dat als de telefoon in het kantoor ging, ik die mocht opnemen. Wij verdeelden die telefoondienst met enkele andere kinderen die in de buurt van de deur zaten. Als de telefoon ging waren het meestal moeders die een ziek kind kwamen melden. Die telefoondienst vond ik de allerhoogste status die je op onze school kon verkrijgen. Je kon ook rustig de klas uitlopen om eens even te kijken of de deur van het kantoor wel open stond, anders zou je de telefoon immers niet horen. Een ander privilege was het luiden van de bel. Nou ja bel, het was een afschuwelijk hard klinkende zoemer die buiten naast de voordeur op de gevel zat gemonteerd. De knop om het ding in werking te zetten zat in het hokje van meneer Rikkers. Je moest dan de knop ingedrukt houden om de zoemer af te laten gaan. Dat gebeurde om 12 uur en half vier en aan het eind van het speelkwartier.
Meneer Koelma was een tamelijk zware man, hij had een bril met een dik montuur, en hij droeg altijd schoenen met forse spekzolen. Daardoor liep hij geruisloos door de school. In zijn klas heerste de grootst mogelijke rust. Men was zich bewust van het feit dat er gewerkt moest worden voor het toelatingsexamen voor de middelbare school. Dat was een dreiging die dat hele schooljaar boven je hoofd hing. De proefwerken die wij kregen moesten wij maken op door meneer Koelma zelf vervaardigde velletjes papier. Dat waren resten uit oude schriften, de lege bladzijden scheurde hij eruit, en dan werden die nog eens in de lengte in tweeën gescheurd. Daardoor werd je gedwongen kort en bondig op één regel je antwoord te noteren. Soms mochten wij dat scheurwerk voor hem doen. Na school. Koelma gaf ook Frans aan kinderen uit de vijfde en zesde klas. Twee maal in de week kwamen wij dan al om 8 uur op school, het betrof een aparte groep kinderen, het was niet verplicht. Ook was er godsdienstonderwijs. Was ook niet verplicht, maar een kleine groep kinderen kreeg dan in het lokaal naast de zesde klas door een dominee “bijbelles”. Dat was een feest, want het bestond louter uit voorlezen. Enkele joodse kinderen kregen in dat lokaal ook geregeld Hebreeuws. Het lokaal werd soms ook gebruikt voor handenarbeid, het was met een aparte deur ook nog verbonden met het lokaal van meneer Koelma. Ik spreek overigens voortdurend van “meneer” Koelma en “meneer” Weeber, wij spraken deze onderwijzers namelijk aan met “meneer” en nooit met “meester” zoals op sommige andere scholen. Alle onderwijzeressen waren “juf”, ook al waren ze mevrouw.

De gymzaal
Wij hadden het nog niet over de gymlessen. Die werden meestal gegeven door meneer Leeuwenhoek. Dat was een voortreffelijke sportleraar die zelf ook het nodige op sportgebied gepresteerd had. Hij kwam altijd met een scooter op school, die hij voor de ingang van de gymzaal parkeerde. Wij jongetjes vonden dat altijd een prachtig ding. Later kwam hij trouwens met een Austin A50 op school, dus meneer Koelma was toch niet de enige met een auto bedenk ik nu ineens. Bram Leeuwenhoek kwam ik later tegen als chef de mission voor de Olympische Spelen in 1972. Hij liet je rondjes lopen, waarbij hij met een houten stok (waarvan er tientallen in rekken langs de muur stonden) op de grond de maat tikte. Ook hij had de wind er onder. Doodenge oefeningen aan touwen hoog in de zaal, en bokspringen, vogelnestjes in de ringen. Ik was geen ster in dat vak. Het was danook altijd geweldig als meneer Leeuwenhoek verhinderd was, wat dikwijls het geval was (waarom weet ik ook niet, misschien moest hij zelf sporten), want dan kreeg je les van “de juf” zelf, en dat ontaardde steeds in een geweldige puinhoop. Wij deden dan meestal “reis om de wereld”, waarbij alle toestellen in de zaal werden ingezet om overheen te klimmen, je moest dan zonder de grond te raken door de hele zaal klauteren.
De gymzaal werd ook als een soort aula gebruikt, Sinterklaas werd er ontvangen, en toneelstukjes opgevoerd. Overigens kwam Sinterklaas altijd op 5 december persoonlijk op school, ging dan met twee Pieten alle klassen rond, bleef uiteraard het langst in de eerste en tweede klas, het was een geweldig feest. De eerste klassertjes vonden in de weken voor sinterklaas ook geregeld een suikerbeest of chocolade kikker in hun kastje wanneer zij ’s morgens op school kwamen.


Examen doen
Het toelatingsexamen werd onder andere voorbereid met enkele boekjes die ik nog steeds bezit: “De laatste hand”, (taal en rekenen) en “Kris-kras de geschiedenis door”, beide door J. Van Belle.
Kosten per boekje: fl. 1,10 en het antwoordenboekje fl 0,40. Als je die boekjes kende kon je moeiteloos je toelatingsexamen voor de middelbare school halen. Er was ook nog zoiets voor aardrijkskunde, maar dat ben ik kwijt. Meneer Koelma stoomde ons op ouderwets degelijke wijze klaar voor dat examen, dat overigens werd afgenomen in de aula van het Maerlant-Lyceum. Dan konden we vast wennen, althans de meesten van ons. Die school stond pal naast onze school. Ik werd daar toegelaten en heb het er vier jaar volgehouden. Het was daar voor mij een kwelling. Na vier jaar mocht ik verhuizen naar het Nederlandsch Lyceum waar ik in 1967 mijn eindexamen voor de HBS-B behaalde. De eerste rector van het Nederlandsch Lyceum was Professor Casimir. Was ik eindelijk toch weer “thuis”. Na het examen en als afscheid voerde de zesdeklassers een feestavond op voor de ouders en familieleden. Het waren toneelstukjes en sketches, alweer: in de aula van het Maerlant Lyceum. Met enkele vriendjes voerde ik een playbackopvoering uit van de DutchSwingCollege Band, met het stuk “Petit Fleur”. Wij waren onze tijd ver vooruit, pas in de jaren tachtig werd zulks populair op de televisie. Dat playbackgedoe bedoel ik.

Later volgt deel 3 van de herinneringen van Tom Kruys.